03 sep 2026

‘De Brakke Grond kan een knooppunt zijn in een culturele ruimte die er al is’

Interview: nieuwe voorzitter Raad van Bestuur Ama Koranteng-Kumi

Foto: Sem Langendijk

Maak kennis met Ama Koranteng-Kumi, de nieuwe voorzitter van de Raad van Bestuur van de Brakke Grond. Ze woont en werkt al jaren aan beide kanten van de grens en kent zowel de Nederlandse als de Vlaamse cultuursector van binnenuit. Wat fascineert haar in die culturele uitwisseling?

Van Rotterdam naar Brussel, Amsterdam en Antwerpen

Wie Ama Koranteng-Kumi vraagt naar haar band met Vlaanderen en Nederland, krijgt geen verhaal over één grensovergang. Het is eerder een voortdurende beweging. Begin twintig vertrok ze vanuit Rotterdam naar Brussel om te studeren aan de toenmalige VLEKHO. Daarna belandde ze in Amsterdam en uiteindelijk, voor de liefde, in Antwerpen. Sindsdien pendelt ze met haar trolley tussen de twee steden.
Die beweging tussen Nederland en Vlaanderen heeft haar blik op beide culturen sterk bepaald. Juist omdat de twee zo dichtbij elkaar liggen, is het verleidelijk om de verschillen over het hoofd te zien. ‘De taal is dun, de cultuur is dik’, zegt ze. ‘Je denkt dat je elkaar meteen verstaat, want de woorden zijn tenslotte hetzelfde. Maar juist in de kleinste, alledaagse woorden zitten soms andere betekenissen. Niet alleen in wat een woord letterlijk betekent, maar ook in wat het oproept, wat het impliceert en wat er niet gezegd wordt. Ik heb moeten leren dat te horen. Precies dat vind ik fascinerend.’

Voor Ama zit de waarde van culturele uitwisseling dan ook niet alleen in het overbrengen van kunst van de ene plek naar de andere. Het gaat over wat er ontstaat wanneer mensen, steden en culturele praktijken elkaar daadwerkelijk ontmoeten. ‘Nederland en Vlaanderen zijn echt verschillende culturen, maar ze zitten ook diep met elkaar verweven. Die uitwisseling bestaat al veel langer dan wij.’

Een knooppunt voor makers

Die verwevenheid ziet ze ook in de manier waarop makers zich door de regio bewegen. Brussel, Antwerpen, Amsterdam en Rotterdam liggen dicht bij elkaar en vormen voor veel kunstenaars geen afzonderlijke werelden ‘Je speelt hier en zit een paar dagen later in een andere stad voor een volgend project. Die nabijheid is een enorme luxe, maar zo vanzelfsprekend geworden dat we ze soms bijna niet meer zien.’
Daar ligt volgens haar een belangrijke rol voor de Brakke Grond. Niet door het netwerk tussen Vlaanderen en Nederland opnieuw uit te vinden, maar door er middenin te stappen. ‘Makers uit Vlaanderen en Brussel hier grond geven, zodat ze iets kunnen opbouwen zonder dat naamsbekendheid of een bestaand publiek dat werk al voor hen doet. Maar het gaat niet alleen om een podium. Dat grensoverschrijdende netwerk van makers bestaat al. De Brakke Grond hoeft dat niet uit te vinden.’ Wat het huis volgens haar wél kan doen, is ervoor zorgen dat makers hier daadwerkelijk voet aan de grond krijgen en hun netwerk kunnen uitbouwen. ‘Een knooppunt zijn in een culturele ruimte die er al is.’

Ruimte om nog niet te weten

Dat idee van ruimte geven komt ook terug wanneer Ama vertelt over haar favoriete plekken in Amsterdam en Antwerpen. Ze noemt niet zozeer een specifiek adres, maar vooral plekken die nog niet helemaal zijn ingevuld: het IJ, de Schelde vanaf Linkeroever, groene hoekjes waar je toevallig tegenaan loopt. ‘Ik hou van plekken die nog niet helemaal af zijn.’ Vijf jaar geleden betrok ze met Mino een oud pakhuis in Antwerpen bij de Dam. Het gevoel van iets bouwen in een ruimte die daarvoor nog niets vastomlijnds was, trekt haar nog altijd. 
Tegelijkertijd ziet ze dat zulke plekken steeds schaarser worden. ‘Onze steden worden gladder. Alles krijgt een bestemming, een vergunning, een rendement. Terwijl een stad volgens mij ook ruimte nodig heeft waarvan nog niet vaststaat wat ze moet worden.’ Ze stelt een simpele maar fundamentele vraag: moet iedere vierkante meter uiteindelijk vastgoed of horeca worden? Of kunnen we bewust plekken vrijhouden voor productie, experiment en ontmoeting? ‘Een stad heeft culturele én ecologische ademruimte nodig. Voor mij horen die twee bij elkaar.’

Ama Koranteng-Kumi (1980) is cultureel leider, artistiek directeur en toezichthouder met ruim vijftien jaar ervaring in Nederland en België. Vanuit haar werk als mede-oprichter en artistiek directeur van MINO in Antwerpen, en vanuit verschillende bestuurlijke en toezichthoudende rollen in de culturele sector, zet ze zich in voor ruimte voor nieuwe makers, inclusie en vernieuwing. Ama was ook de grondlegger van Bloei & Groei in Amsterdam, een innovatief model waarin stadsnatuur, welzijn en regeneratieve wijkontwikkeling samenkomen met vrouwelijk leiderschap. Ze woont en werkt in Antwerpen en Amsterdam.

Wat Nederland en Vlaanderen van elkaar kunnen leren

De verschillen tussen Nederland en Vlaanderen hebben haar niet alleen nieuwsgierig gemaakt, maar haar ook iets geleerd over samenwerking. ‘De Nederlandse directheid heb ik altijd gewaardeerd. Zeggen wat je denkt en voelt, recht op het doel af. Daar hou ik van.’ In Vlaanderen ontdekte ze vervolgens de waarde van wat ze aanvankelijk als traagheid ervoer.
‘Hier wordt vaak eerst de relatie opgebouwd en komt het eigenlijke doel van het gesprek daarna. Ik zat vroeger in vergaderingen soms inwendig te roepen: kom nou to the point. Inmiddels zie ik ook de zorgvuldigheid ervan. Er wordt eerst vertrouwen opgebouwd voordat je iets van elkaar vraagt.’

Ook de verschillen tussen de Nederlandse en Vlaamse culturele sector houden haar bezig. In Nederland begint de professionalisering van kunstenaars vaak vroeg. Makers leren snel hun praktijk te formuleren, plannen te maken en zich te verhouden tot fondsen en ontwikkelregelingen. Dat heeft voordelen, vindt ze. Maar er schuilt ook een risico in. ‘Juist dat niet-weten, die tijd om te zoeken zonder dat het meteen ergens toe hoeft te leiden, is voor kunstenaars ontzettend belangrijk.’ Ze vraagt zich af of daar door de sterke professionalisering in Nederland soms minder ruimte voor is. En of dat misschien meespeelt in de eigenzinnigheid die ze bij Vlaamse makers ervaart. Die eigenzinnigheid en scherpte van Vlaamse makers zijn precies wat de Brakke Grond hier laat zien.

Als nieuwe voorzitter kijkt Ama ook kritisch naar de culturele sector zelf. Ze ziet wat ze institutionele mimiek noemt: instellingen die vooral naar elkaar kijken om te bepalen wat er hoort te gebeuren.‘Dan gebruikt iedereen uiteindelijk dezelfde woorden, terwijl de echte keuzes uitblijven.’

Volgens haar zijn culturele instellingen goed geworden in het zichtbaar maken van verandering, terwijl de daadwerkelijke verandering veel minder zichtbaar is. ‘Inclusie wordt een programma. Duurzaamheid wordt communicatie. Terwijl de echte vraag is wat er verandert in geldstromen, besluitvorming, personeel en relaties.’ Dat echte werk is trager en minder zichtbaar, zegt ze. Maar juist daar krijgt verandering vorm. In de Brakke Grond ziet ze een organisatie die bereid is om daarin stappen te zetten.